STUDIO ROBERT C. SMIT
Valentine de Kerven
FILOSOFIE
DE GOEDE RICHTING
OP HET VERKEERDE SPOOR
Een drieduizendjaar oude ‘Nieuwe Geboorte’
‘Na zijn vijfentwintigste jaar neemt hij de taak op zich
om de leer en lezingen te verspreiden,
die voorgestaan worden door een organisatie die staat voor
universele broederschap en éénheid van alle religies.
Dat brengt hem wijsheid, vriendschap met grote mensen,
toenemende roem en een reputatie als groot spreker,
alsmede respect van geleerde mensen.
Het karakter van zijn werk is zodanig, dat hij constant reist
en in contact komt met belangrijke personen op allerlei gebied
en hij verkrijgt ervaring.’
De drieduizend jaar oude woorden van Kowmaranadi kloppen nog steeds! De organisatie voor universele broederschap is natuurlijk de Theosofische Vereniging. UG fungeerde hier als spreker, en later ook als algemeen medesecretaris van de vereniging in India.
UG) “Ik was zeventien tot achttien uur per dag bezig; het is niet zo eenvoudig om overal in de wereld lezingen te geven en allerlei gehoren te ontmoeten, ook in Katholieke landen. Het valt niet mee. Je spreekt tegen ze, je moet je zaken terdege voorbereiden, want je moet over van alles weten. Je kunt niet zonder meer een podium bestijgen en dan je speech maar afsteken. Er zitten zoveel mensen in de zaal die je willen uitdagen en die betwisten wat je zegt! En je staat daar per slot van rekening als missionaris! Kijk, nu praten wij gewoon wat en ik ga straks weer verder en jij kunt doen met het gesprek wat je wilt, ik probeer je niet te overtuigen van het één of ander. Maar destijds was het moeilijk hoor! Ik was een goed spreker, een eerste klas redenaar. Overal trad ik op, elke universiteit van India had ik bezocht. Maar het had iets onwerkelijks voor me; ‘iedereen met een beetje hersens kan deze informatie verzamelen en het daarna uitkramen, al die tweedehands informatie, wat heeft het toch voor zin?”
Dan, tegen het einde van de jaren veertig ontmoet UG J. Krishnamurti. Als JK in de buurt was ging UG naar zijn toespraken luisteren, zeven jaar lang. Maar vanwege de toestand die er heerste omtrent het wereldleraarschap van JK bleef er voorlopig een afstand tussen hen. Pas na zeven jaar wordt de ontmoeting persoonlijk, UG ontmoet JK nu iedere dag.
Steeds werd UG’s grote vraag onder de loep genomen: ‘Wat is de staat waarvan JK spreekt?’ UG was niet in het minst geïnteresseerd in JK’s abstracties en analyses, hij wilde weten wat er het fundament van was. Hij voelde in JK een zekere autoriteit: ‘Je mag de suiker misschien niet geproefd hebben, maar je schijnt er op zijn minst naar gekeken te hebben. De manier waarop je de dingen beschrijft geeft me het gevoel dat je de suiker in ieder geval gezien hebt, al ben ik er niet zo zeker van dat je hem ook geproefd hebt.’
UG wilde van JK een rechtstreeks antwoord, zonder omhaal, dat JK om eigen redenen niet gaf. ‘Wat valt er voor jou nog te verdedigen?’ spoorde UG hem aan, ‘Hang je verleden met alle voorvallen toch aan de wilgen en laat de hele zaak over aan de mensen!’ Het einde van een jarenlange vriendschap met JK is in zicht.
UG) “Ik hield aan, komaan, wat ligt er nu ten grondslag aan de abstracties die je me toewerpt?’ En JK antwoordde: ‘You have no way of knowing it for yourself!’ Afgelopen! Einde van onze vriendschap. ‘Als ik geen manier heb om het te weten, is er voor jou geen manier om het over te dragen. What the hell are we doing! Zeven jaar verknoeid. Gegroet!”
Toen vertrok UG bij JK.
UG) “Dat is mijn bezwaar tegen hem: hij blijft maar voortdurend dezelfde stupide hoop in stand houden en hij liet zich nooit eens echt zien. Van mijn tijdgenoten was Ramana de meest oprechte, en JK de oneerlijkste. Het spijt me dit te moeten zeggen, maar in feite maakt het niet uit, want het staat toch allemaal al in de kranten in India, don’t worry, ik zeg niets achter iemands rug om. Ramana was de eerlijkste, heel openhartig. Van de mensen die vroeger leefden weet ik het niet. Eigenaardig trouwens dat ik die kerel, die Ramana helemaal niet mocht, terwijl ik van deze man, van JK dacht dat ik hem wel zou mogen. Niet dat ik een hekel aan hem heb, maar die hele denkstructuur die hij heeft opgebouwd en waar niemand werkelijk mee gebaat is, dat staat me tegen. Het zegt me zo weinig als hij het heeft over ‘de enige revolutie’, of als hij spreekt over transformatie, radicaal of op andere wijze, of over mutatie, radicaal of op welke manier dan ook. Wat wil hij ermee zeggen? Als hij het heeft over de mutatie van de geest, wat bedoelt hij dan, waar is de geest waarover hij spreekt? Wat valt er te transformeren? En als die transformatie van hem binnen het gebied van de psyche valt is het sowieso een waardeloze transformatie. Dus wat is er nu zo radicaal aan? Hij heeft een nieuw jargon geschapen, dat is alles. Hij was ontevreden over de traditionele aanpak en creëerde als het ware een nieuw taaltje. Maar wat dat voor nut heeft zie ik niet! In ieder geval pikken de mensen die hem jaar in jaar uit aanhoren die nieuwe kreten op en beginnen de dingen te denken, te voelen en te ervaren die hij met zijn nieuwe begrippen heeft gecreëerd, terwijl het even absurd en belachelijk is als de traditionele benaderingen. Het maakt werkelijk niets uit of je nu een eenvoudige taal gebruikt of de traditionele. Ik trek de hele handel in twijfel, vanaf een radicale verandering tot de noodzaak voor welke verandering dan ook. Het is allemaal sentimenteel geleuter. Zoals ik het zie, is het ‘missionarissen werk’ wat hij verricht, maar ik ben niet geïnteresseerd in missionarissen, dood of levend, of het nu christelijke missionarissen zijn of Hindoes of van welke richting ook. Waar heeft hij het over? Wat bedoelt hij ermee als hij suggereert dat je ‘bewustzijn’ kunt gebruiken als middel om een verandering in jezelf aan te brengen? Waar heeft hij het over als hij spreekt over ‘bewustzijn’, en kan er enige verdeeldheid zijn in bewustzijn? Nee, er kan geen verdeeldheid in bewustzijn bestaan. Dus dit is een nieuw spelletje en de mensen spelen ermee. Bewustzijn is iets dat niet gebruikt kan worden om enige transformatie of radicale mutatie teweeg te brengen; niet in jou en nog minder in de wereld.
UG) Al die kletspraat over het beïnvloeden van het menselijk bewustzijn door middel van allerlei transformaties is voor mij ronduit lariekoek! Waarom hij het doet, en wat hij doet, dat is zijn zaak. Ik ben er niet in geïnteresseerd de volgelingen van J. Krishnamurti te redden, laat staan de wereld! En als zij allemaal de wereld willen redden, wel geluk ermee!, maar laat dan wel de resultaten eens zien. Want je kunt wel zeggen dat je vijftig, zestig of zelfs honderd jaar naar een leraar geluisterd hebt, maar je bent nog steeds even oppervlakkig bezig als voorheen . . . “
UG spreekt deze woorden van afkeer over het redden van de wereld en haar bewoners uit, lang nadat hij zelf stopte met zijn eigen, weinig gemotiveerde missie rond de wereld.
‘Het karakter van zijn werk is zodanig,
dat hij constant reist . . . ‘
en dat was en is nog steeds een feit: UG heeft over de hele wereld gereisd om zijn lezingen en toespraken te houden. Er zijn maar weinig landen die hij niet heeft bezocht. Lange tijd hield hij een plakboek bij, waarin alle recensies en kritieken werden bewaard, die meestal hun lof uitspraken over zijn talent als spreker. Na het fenomeen van de ‘calamity’, zoals UG zijn opgaan in de ‘natuurlijke-staat’ wel eens noemt, reist UG nog steeds de hele aardbol over. Het Theosofisch getinte missiewerk is echter vervangen door een ‘roeping’ die op het moment waarop ‘dit’ geschreven wordt nog de maagdelijke kleur heeft van het ‘witte licht’.
‘Na zijn vijfendertigste jaar
is er een verandering in zijn leven.
Woonachtig in het buitenland.
Er is een aanwijzing van constant en
vruchteloos reizen over de gehele wereld.
Intense innerlijke strijd.
Maar de innerlijke crisis zal tenslotte
in het goede eindigen.’
zo troost Kowmaranadi.
UG) “You see, I went to the U.S.A. for the treatment of my son, who had polio. Mijn vrouw en ik en onze twee zoons gingen naar Amerika. Onze twee dochters bleven in India achter, bij familie. Zeven of acht jaar verbleven we daar. And that impoverishing, you see, I spend everything I had. Ik zei tegen de man van de immigratiedienst: De meeste mensen komen hier om hun fortuin te maken, maar ik ben hier en ik verlies een fortuin. Ik spendeerde al mijn geld aan allerlei behandelingen om de polio van mijn zoon te genezen. Zestigduizend dollar! Alles wat ik op de Zwitserse bank had staan, tot de laatste cent. En toen kwam die snuiter, the ‘Old Man’ (JK), om met zijn genezende krachten een poging te doen. Het was één van de mislukkingen; vijftig procent kans op mislukking. Dit gebeurde rond het einde van negentienhonderdzestig. Geen geld meer, totaal berooid.”
UG begon nu een geweldige omwenteling in zichzelf te bespeuren, die hij niet kon en ook niet wilde tegenhouden. Dit duurde zes jaar en zou zijn voleinding vinden in het realiseren van de ‘Natuurlijke Staat’. In de jaren vóór deze ‘Natuurlijke Staat’ hem toeviel, was UG volkomen helderziend en helderhorend. In een oogwenk zag hij het hele leven van iemand, zijn verleden, heden en toekomst, zonder dat iemand hem ook maar iets hoefde te vertellen. Hij had zelfs het vermogen om letterlijk alsof zijn ogen met röntgenstralen werkten door iemand heen te kijken!
UG) “Ik had destijds zoveel vermogens, maar ik gebruikte ze niet. Ik was verwonderd, verbaasd. ‘Waarom heb ik deze krachten?’ Soms zei ik iets en het kwam altijd uit. Ik kwam er niet achter hoe het mechanisme functioneerde. Ik speelde er niet mee, want dan had het onplezierige gevolgen voor sommige mensen.”
Gestrand in Amerika de polio van zijn zoon was niet genezen, zijn geld was op en interesse in zijn werk was er niet of nauwelijks. Zijn huwelijk liep mis . . .
UG) “I failed, you see, that ‘s all!’ Ik wilde haar veranderen, haar in een heel nieuwe wereld brengen en alle relaties die ze met anderen onderhield verbreken: haar familie, ouders. Ik wilde dat uitroeien en haar grondvesten in een totaal nieuw land. En daarin ben ik niet geslaagd.”
Sinds ik UG een jaar geleden voor het eerst had ontmoet, was ik behoorlijk gewend geraakt aan zijn persoonlijke, intieme wijze om gesprekken te voeren. Theoretische, afstandelijke ‘redevoeringen’ werden bij UG niet afgestoken. Toch was ik verrast en ontroerd door de openheid waarmee UG nu de tragische herinneringen ophaalde aan zijn vrouw, en tegelijkertijd getroffen door de onthechtheid waarmee hij zijn droeve verhaal vertelde:
UG) “Ze was honderd procent Indiase, en dat wilde ze blijven. Veel kinderen en de familie om zich heen.”
B) “UG, was het vanwege haar heimwee dat je vrouw zo jong is gestorven?”
UG) “Nee, dat niet; ja, hoe ging dat, hm? Ze lag in het ziekenhuis, een psychiatrische inrichting.”
B) “Je hebt haar toch niet krankzinnig gemaakt?”
UG glimlacht flauwtjes . . .
UG) “Ze kreeg daar een elektroshock behandeling.”
B) “Dat stond jij toe?!”
UG) “Ze was toen al in India, en niet meer bij mij in Amerika.”
B) “Je had haar in de steek gelaten?”
UG) “Nee, zij verliet mij. Ik zet nooit iemand buiten de deur.”
B) “Zij verliet jou, ze had genoeg van je? Was je er eindelijk in geslaagd om het haar rottig genoeg te maken?”
Deze wel héél ‘vrijpostige’ manier van doen rolt uit de mond van één van UG’s meest vertrouwde vrienden.
UG) “Niet ‘genoeg van mij’, maar van Amerika. Ze heeft altijd een hekel gehad aan dat land.”
B) “Zie je wel, toch heimwee! Ze wilde terug naar haar moederland.”
UG) “Ja misschien wel. Je moet niet vergeten dat ze twee dochters in India had achtergelaten die nu opgroeiden zonder haar! En toen kreeg ze tyfus in die psychiatrische inrichting kun je je voorstellen?”
B) “En daar is ze aan overleden?”
UG) “Nee, ze kreeg een ongeluk, thuis. Ze brak haar nek. Ik kreeg het nieuws pas zes maanden daarna . . . “
B) . . . !
Per vliegtuig was zijn gezin terug gegaan naar India. UG ging zelf naar Londen. In deze wereldstad begon voor hem een vreemde tijd. Hij arriveerde zonder een cent op zak. Hij zwierf wat rond, niet met welk doel dan ook, maar zomaar. Zijn vrienden zagen hem snel bergafwaarts gaan, maar zelf vond UG zijn situatie van toen normaal. Hij deed wat voor hem kwam, zonder overdadige wil of inspanning. Als hij er nog eens aan terug denkt schudt hij vertwijfeld zijn hoofd: ‘Het is niet te geloven hè, zo vreemd!’
‘Maar de innerlijke crisis
zal tenslotte goed eindigen’
had Kowmaranadi beloofd. Die crisis vond allereerst plaats in Londen. In die tijd was het voor UG alsof hij niet langer over een hoofd beschikte! ‘Where is my head? Do I have a head or not? Het hoofd schijnt er te zijn, waar komen deze gedachten anders vandaan?’ Met deze ervaring zette een ongeveer zeven jaar durende periode in waarbij ‘flipping’ en ‘flying’ om de overwinning twistten.
UG) “Er was geen enkele wil om iets te doen. Ik werd als een blad door de wind overal heen geblazen, een absurd leven leidend. Het ging maar door en door. Op een dag zei ik tegen mezelf: ‘Zo kan het niet langer, dit leven stelt niets voor.’ Ik was een leegloper geworden die op de welwillendheid van anderen teerde. Er was totaal geen wil in me. Ik had geen besef van de dingen die ik deed, want ik was zo goed als geschift! Ik liep daar door Londen, slenterend in de straten, en geen plaats om te wonen, de hele nacht op straat rondzwalken. Op zekere dag sprak een agent me aan, ‘dat ik hier niet langer kon blijven’. Ik sliep toen in Hydepark. Ze zouden me eruit gooien als ik er weer werd aangetroffen. Dus, ‘Waar moet ik heen?’ Toen kwam ik op het idee om naar het Ramakrishna-Centrum te gaan.”
UG liet aan het hoofd van deze Ramakrishna-beweging zijn knipselboek zien, dat nu dienst deed als visitekaartje. De Swami vertelde hem dat hij juist iemand als UG nodig had, want hij was bezig met een speciale editie over het leven van Vivekananda. UG was volgens hem de juiste persoon om hem daarbij te helpen. Eerst weigerde UG want hij voelde zich niet in staat artikelen te schrijven of samen te stellen. ‘Het spijt me, ik kan u hiermee niet van dienst zijn, ik ben werkelijk aan het einde van mijn krachten’. Maar de Swami stond erop dat UG hem zou helpen. UG rustte een paar dagen en toen klaarden ze samen het werk, echter niet tot hun voldoening. Voor zijn inspanningen kreeg UG vijf pond uitbetaald. Hij wist niet eens wat hij ermee moest doen. Hij had alle gevoel van waarde verloren. Er was een tijd dat hij een cheque kon uitschrijven voor honderdduizend Rupi’s. Nu, na zoveel tijd zonder een cent op zak had hij opeens weer vijf pond tot zijn beschikking.
UG) “Wat zal ik ermee gaan doen?’ vroeg ik me af. Toen besloot ik elke film te gaan zien die er in de bioscopen draaide. ‘s Morgens deed ik wat klusjes in de Ramakrishna ashram en ik at er om één uur, en dan naar de film. Ik zag alle films, soms drie op een dag. Zo was het geld al gauw weer op. In deze tijd was het zoeken naar wijsheid en verlichting helemaal uit mijn systeem verdwenen.”
UG zat vaak in de meditatieruimte van de ashram, zich afvragend over de monniken die er mediteerden wat ze er zochten. In die meditatieruimte had UG een vreemde ervaring:
UG) “Ik zat daar, deed niets. En al die mensen zaten daar. ‘Waarom willen ze in samadhi geraken? Ze verkrijgen er niets mee, ik heb het aan den lijve ondervonden. Ze maken zichzelf maar wat wijs. Wat kan ik voor ze doen om ze die verspilling van hun leven te besparen? Het brengt ze nergens!”
UG) “Ik zat daar zo, niets, alles blanco, toen ik iets heel vreemds voelde. Er was één of andere beweging in mijn lichaam. Plotseling voelde ik dat er iets zich roerde. Een energie kwam vanuit de penis door het hoofd, alsof er een gat inzat. Het bewoog in cirkels tegen de klok in, en toen met de klok mee. Het was zoiets grappigs voor me, maar ik legde geen enkele link met wat dan ook. I was a finished man!”
Ondanks dat UG zich min of meer willoos en doelloos liet voortkabbelen op de verzorging in de ashram was er toch een gevoel in hem dat hem stoorde: ‘This is a pervers way of living! Perversiteit in zijn meest extreme vorm! Het is niets waard, maar wat doe ik eraan?’ Na drie maanden is het welletjes. De Swami geeft UG wat geld mee, en hij vertrok. UG was nog steeds in het bezit van een vliegticket. Hij ging naar Parijs en wisselde het ticket om voor geld. Hiervan kon hij een hotelkamer huren, en overdag zwierf hij weer over straat.
UG) “Het zelfde liedje als in Londen, alleen wat meer geld op zak. Na drie maanden besloot ik te vertrekken, maar ik weigerde naar India terug te gaan vanwege mijn gezin, familie, de kinderen. Ik was bang om naar India terug te keren, want dat zou de toestand alleen maar verergeren. Iedereen zou me op komen zoeken. Nee alsjeblieft, dat niet!”
Tenslotte besloot UG om naar Zwitserland te gaan, hij dacht daar nog wat geld op de bank te hebben. Hij riep een taxi aan: ‘Take me to Gare de Lyon!’ Maar vanuit dat station vertrekt de trein die naar Genève rijdt! ‘Ik had naar Gare d’Est gemoeten voor de trein van Parijs naar Zurich, waar ik mijn geld wilde halen.’
Kowmaranadi moet een wel super heldere blik hebben gehad, die zelfs wijs kon worden uit de Franse spoorboekjes:
‘Hij zal geholpen worden door een vrouw,
die het hem mogelijk maakt zich voorgoed
in het buitenland te vestigen.’
Een ‘stompzinnige vergissing’ van UG leidde er toe dat hij inderdaad de vrouw ontmoette waarover Kowmaranadi vele eeuwen eerder deze aantekening noteerde!
Gearriveerd in Genève, met honderdvijftig francs op zak betrekt UG opnieuw een hotelkamer, ofschoon hij al wist dat hij de rekening niet kon betalen. Na twee weken werd die hem gepresenteerd, en het enige wat UG kon verzinnen was zijn armen in de hoogte steken.
UG) “Het enige wat me nog overbleef was naar het Indiase consulaat te gaan: ‘Stuur me naar India . . . “
UG haalde weer zijn plakboek te voorschijn ‘One of the most brilliant speakers that India has ever produced!’ met commentaren van Norman Cousins en Radhakrishnan, over zijn kwaliteiten. De vice-consul antwoordde dat hij UG niet op staatskosten naar India kon laten reizen, maar dat hij geld moest zien te verkrijgen vanuit India. UG kon zolang bij de vice-consul onderdak krijgen. Daar op het consulaat ontmoette hij Valentine de Kerven.
Zij was vertaalster op het consulaat, maar die dag was ze toevallig ingevallen voor de receptionist, die niet aanwezig was! Ze kwamen aan het praten en werden heel goede vrienden. Valentine heeft vast het gefluister van Vasista tegen Visvamitra kunnen horen, want het eerste dat ze tegen UG zei was: ‘Als je wilt, kan ik er wel voor zorgen dat je in Zwitserland kunt blijven! Als je niet terug wilt naar India, ga dan niet.’
Valentine schiep een thuis voor UG in Zwitserland. Haar werk gaf ze op. Ze was niet rijk, ze leefde van een klein pensioen, maar ze konden er samen van leven. Valentine was vijfenzestig jaar toen UG haar ontmoette. Ze vertrokken naar Saanen, uitgekozen door UG. In 1953 had hij daar al eerder een week doorgebracht. UG had toen het gevoel gehad dat hij daar de rest van zijn leven wilde wonen. Zijn vrouw kon er vanwege het klimaat echter niet wennen. Later kwam ook JK er zijn zomerlezingen geven. ‘I lived there, I was not interested in Krishnamurti or anything.’ UG was op geen enkele wijze betrokken in enig zoeken naar een waarheid. In de jaren die hij met Valentine leefde, vóór zijn negenenveertigste verjaardag, heeft hij tegen haar nooit ook maar iets gezegd over dat onderwerp, noch met welke andere persoon ook over deze zaken met een woord gerept.
UG) “Er was geen enkele zoekers intentie meer in me overgebleven.”
In deze tijd gebeuren er de vreemdste dingen met UG. Hij had verschrikkelijke hoofdpijnen, constante pijn in de hersenen. Hij slikte in die tijd duizenden aspirines, maar niets hielp. Op het laatst dronk hij vijftien of twintig koppen koffie per dag. Valentine vroeg hem vermanend of hij wel wist wat dat kostte! Als UG over zijn lichaam streek verscheen er een schittering, een soort fosforescerende glans op zijn huid.
UG) “Valentine is ‘s nachts een keer haar bed uit gekomen, omdat ze dacht dat er een auto met zijn lichten aan voor het huis stond. Iedere keer als ik me omdraaide in bed was het er.”
Hij moet er om lachen.
UG) “Ondanks al die vreemde ervaringen die ik had, vermoedde ik niet in het minst dat er iets voor me in voorbereiding was.”
UG was ontzettend sceptisch, hij vertrouwde zijn eigen ogen nog niet als die hem een wonder lieten zien!
UG) “Heel vreemde dingen zijn me overkomen, maar ik bracht het nooit in verband met bevrijding of moksha, want tegen die tijd was dat hele gedoe verdwenen uit mijn ‘systeem’. Ik was op een punt aangekomen waar ik tegen mezelf zei: ‘Boeddha hield zichzelf en anderen voor de gek, alle meesters en redders van het mensdom waren vervloekte oplichters die zichzelf wat wijs hadden gemaakt.’ Ik interesseerde mij daar niet voor! Het ging steeds maar door, typische verschijnselen. Maar nooit zei ik tegen mezelf: ‘Jongens, nu kom ik in de buurt, ik ben vlakbij het doel’. Er is geen vlakbij of veraf niemand is dichter bij ‘Dat’ vanwege zijn hogere staat of door zijn voorbereidingen. Voor dit fenomeen bestaat geen ‘gereedstaan’, ‘It hits you like a ton of bricks!”
‘Van het vijfenveertigste jaar tot het vijfenvijftigste jaar
zijn jaren van groot belang in zijn leven.
Hij wordt ‘OPNIEUW GEBOREN’ in zijn
negenenveertigste jaar.
Hij wordt een internationale persoonlijkheid.
Hij zal altijd op reis zijn.
Zijn naam gaat over de vier windstreken van de aarde.
Groot eerbetoon zal hem ten deel vallen.
Boeken zullen aan en over hem geschreven worden.
Groot respect overal in alle landen.
Met het verstrijken der jaren groeit een grote organisatie
rond hem, met grote bezittingen,
om zijn ‘LEER’ te verkondigen . . . ‘
Kowmaranadi is hiermee bijna aan het einde van haar visioen gekomen, er rest nog de uitgekomen voorspelling omtrent een tragisch ongeluk en een belofte voor UG, maar daarvan zullen wij echter het meeste profijt hebben . . .
In april 1967 was UG met een aantal vrienden in Parijs. JK was ook in de stad, voor zijn toespraken. Na lang aandringen van zijn vrienden besloot UG zijn ‘oude kennis’ weer eens aan te horen. Maar het feest ging niet door want de entreeprijs bedroeg twee francs. ‘Ik denk er niet over om twee francs neer te tellen om naar J. Krishnamurti te luisteren! Let ‘s go to a striptease joint, let’s go there for twenty francs!’ In de striptease tent heeft UG een vreemde ervaring. Hij kon niet uitmaken of hij degeen was die daar danste of dat het de ander was; er was geen onderscheid.
UG) ‘There was nobody who was looking at the dancer!’
Deze ‘onpersoonlijke metamorfose’ hield UG de rest van de show bezig.
UG) “De vraag: ‘Wat is deze staat?’ had nu een enorme intensiteit voor me. Hij brandde zich in me vast.”
Ondanks het ophouden van ieder zoeken naar moksha en verlichting wilde UG sterker dan ooit voor zichzelf de staat kennen van Boeddha, Krishna en de andere ‘groten’. In juli 1967 begon er een nieuwe episode in UG’s ervaringen. J. Krishnamurti was in Saanen en omdat de entree hier gratis was, en ook door weer aandringen van zijn vrienden, bezocht UG de tent.
UG) “Toen ik naar hem luisterde overkwam me iets vreemds, een eigenaardig gevoel dat hij mijn staat aan het beschrijven was en niet zijn staat. Waarom wilde ik zijn staat te weten komen? Hij beschreef sommige dingen, iets over een bepaald bewustzijn en over stilte ‘In die stilte is er geen geest, er is actie’. Maar ik ben in die staat! What the hell have I been doing these thirty or forthy years! Ik heb geluisterd naar al deze mensen, geploeterd en gepoogd zijn staat en de staat van anderen te begrijpen, van Boeddha en Jezus. Ik verkeer in die staat! Toen liep ik de tent uit en keek niet meer om.”
Op 9 juli, UG’s verjaardag, zat hij op een bankje onder een lindeboom, waarvandaan hij uitzag over één van de mooiste plekjes op aarde, de ‘Zeven heuvels en zeven dalen van Saanenland’. De grote vraag van UG, ‘What is that state?’, waarvan hij eindelijk wist dat hij erin verkeerde, transformeerde zichzelf in de volgende vraag:
UG) “Hoe weet ik dat ik in die staat ben, de staat van Boeddha, de staat die ik zo graag wilde en er iedereen naar vroeg. Ik ben in die staat, maar HOE WEET IK DAT?”
UG zat daar op het bankje . . .
UG) “Niet dat de vraag er was; mijn hele wezen was die vraag! Hoe weet ik dat ik in die staat verkeer? Er heerst een bepaalde gescheidenheid in me. Er is iemand die weet dat hij in die staat verkeert. De kennis over die staat, dus wat ik erover gelezen heb, wat ik ervaren heb, wat men erover gezegd heeft, die kennis is het, die naar deze staat kijkt, en zo is het dus slechts deze kennis die deze staat heeft geprojecteerd!
Ik zei tegen mezelf: ‘Kijk eens aan, ouwe jongen, na veertig jaar blijk je in feite geen stap verzet te hebben! Daar sta je, op vakje ‘Terug naar Af’. Het is dezelfde kennis waardoor je geest geprojecteerd werd toen je deze vraag stelde. Je bevindt je nog in dezelfde positie, en je stelt dezelfde vraag: ‘How do I know?’ Want het is deze kennis, de beschrijving van de staat door anderen, die deze staat voor jou heeft gecreëerd. Je neemt een loopje met jezelf. Je bent een verschrikkelijke lummel!”
UG) “So, nothing . . .’ Maar nog steeds hield het gevoel aan dat dit de staat was. De tweede vraag, ‘Hoe weet ik dat dit de staat is’ daar had ik geen enkel antwoord op. Het was alsof de vraag in een draaikolk tolde, het ging steeds maar door. Toen, plotseling verdween de vraag. Er gebeurde niets, de vraag verdween alleen! Ik zei geen dingen tegen mezelf als: ‘Oh, mijn God, nu heb ik het antwoord gevonden’.
Zelfs de staat verdween, de staat waarvan ik dacht dat ik erin verkeerde, de staat van Boeddha en Jezus, zelfs dit was opgelost, verdwenen! De vraag is verdwenen, de hele affaire is voor me afgelopen, en daarmee uit! De staat waarvan ik zei ‘Dit is de staat’, die staat verdween. De vraag verdween. Afgelopen klaar.
UG) “Het is geen leegte, het is geen vacuüm, het is geen niets, het is geen van deze dingen. De vraag verdween opeens, en DAT IS ALLES . . .”
Kowmaranadi moet een bijzonder heldere blik hebben gehad, die zelfs wijs kon worden uit de Franse spoorboekjes:
‘Hij zal geholpen worden door een vrouw, die het hem mogelijk maakt zich voorgoed in het buitenland te vestigen.’
Een ‘vergissing’ van UG leidde er toe dat hij de vrouw ontmoette waarover Kowmaranadi eeuwen eerder schreef!