STUDIO ROBERT C. SMIT
Beeldende kunst volgens U.G. Krishnamurti
FILOSOFIE
U.G. - EEN STILLEVEN VOL ACTIE
Kunst is te zinnig,
Leven is ware Creatie!
Je kunt gerust zeggen dat U.G. is gekomen om te vernietigen, en zeker niet om dingen te voleindigen of vervullen. Wat je je dan wel moet realiseren is, wat vernietigen betekent, en wat volbrengen of opbouwen of vervullen!
Vernietigen in de gewone zin gebruikt is iets negatiefs en destructiefs; schoonheid, levendheid, liefde en alle andere mooie en fijne dingen worden dusdanig beïnvloed, dat ze hun gewaardeerde kwaliteit verliezen, of zelfs geheel te gronde gaan. Een vernietigd bouwwerk biedt geen plaats meer aan bewoners; een vernietigde liefde geeft geen warmte en wonder meer aan de zo pas nog verliefden, en een vernietigde eigenwaarde maakt iemand waardeloos. Maar een vernietigde ziekte maakt iemand weer gezond en levendig, en een vernietigde gevangenis maakt iemand weer vrij. En een vernietigde filosofie maakt iemand weer tot wat hij was vóór die conditionering! De barre winter vernietigt niet alleen alle op dat moment overbodige stoffen en vormen tot meer simpele grondstoffen, maar bereidt ook een enorme hoeveelheid nieuwe, verse voedingsstoffen voor, ten behoeve van al het leven dat in de lente zal komen. UG is zo’n winter, die met zijn snijdende oostenwind en zijn gure vorst-nachten alle zwoele, romantische zomerdromerijen de das omdoet, of, om een ‘killer’ beeld te geven, - die ons mooi in ons hemd laat staan raliebalen, totdat hij er zeker van is, dat we ‘de kou’ werkelijk ‘gevat’ hebben!
Na ieder nieuw bezoek aan hem is het telkens wéér een loodzware opgave, en een tergende teleurstelling, om luid en duidelijk te moeten horen, dat de ‘winter’ nog maar net ingevallen is. Na vooral de latere ontmoetingen was er steeds een gevoel, of eigenlijk meer de hoop, dat ik nu echt had begrepen waar het om ging. Helaas; mijn lichte-lente-visioen was nog altijd voorbarig; ieder beeld over een nieuw leven met frisse inzichten en op-rotsbodem-gefundeerde ‘maatstaven’ werd afgedaan met het afmattende inzicht van UG, dat ik slechts aan het prutsen was (,-ben, en -zal blijven!) in de oude restanten van een ‘achterhaalde’ cultuur!
Als beeldend kunstenaar was het heel sterk mijn wens om eens dat kunstwerk tot manifestatie te brengen, dat volledig de waarheid zou uitstralen die ik destijds in de Indiase filosofie voelde zinderen. Dit kunstwerk moest zo’n vorm krijgen dat het aan iedereen, aan elke mens van welke richting dan ook, het Grote Geheim van het leven, de schepping, of hoe je het ook maar noemen wilt, kon tonen! Het zou in iedere mens dat diep verborgen gevoel van geheimvolle schoonheid moeten aanroeren, dat de macht heeft om al onze dood geconditioneerde manieren van ‘zien’ de ogen te openen.
Tijdens één van de ontmoetingen met UG had ik een foto meegenomen van een recent kunstwerk, waarvan ik zelf vond dat het al flink in de richting lag die ik mij destijds zo poëtisch had voorgesteld. Het liet een meester en een discipel zien, die op tamelijk gestileerde wijze van de waarheid getuigden. De discipel was in een meditatieve en ontvankelijke overgave stil aanwezig in de smetteloze tegenwoordigheid van zijn meester. De meester omvatte aan alle kanten de discipel met zijn armen en zijn blik, en straalde een meedogenloze liefde uit. De meester en de discipel samen vormden een uitloper van het universum, en buiten hun verschijning was er verder niets verbeeld dan een alziend centrum, waar vanuit alles zijn kracht en vorm ontving.
UG keerde de foto ondersteboven, opzij, de andere kant opzij, zelfs een kort ogenblik in de positie waarop het bekeken diende te worden, en toen weer in het rond hij bekeek zelfs heel even de achterkant, alsof daar misschien een aanwijzing stond! Niets! Afwezig en totaal ongeïnteresseerd gaf UG de foto terug, aan de hevig geïnspireerd gewezen artiest! Hij kon er helemaal niets van maken ‘I’m sorry’.
‘Als er ook maar iets van kwaliteit in dit kunstwerk te bespeuren valt - in de zin van associaties met wijsheid en waarheid - dan moet UG dat toch zeker kunnen aanvoelen!’ Wel, hij liet er in ieder geval niets van merken, en het is natuurlijk niet bepaald UG’s ‘talent’ om mensen te stimuleren in hun ‘traditionele filosofie-visie’, vol hangerige discipelen en heerserige meesters. (trots als een pauw wil ik vertellen dat UG tijdens een bezoek aan mijn atelier enkele tekeningen heeft uitgekozen die hij - mocht er ooit een vaste verblijf-plaats voor hem komen - graag gebruiken zal om zijn kamer mee op te sieren)
Laatst ging ons gesprek over kunst en over wetenschap:
RCS) “UG, kun jij abstracte kunst waarderen?”
UG) “I don-t care for anything! Al die technieken - ik ben helemaal niet geïnteresseerd in technieken. Ja, ik waardeer kunst wel, zie je, want ik heb er een aantal boeken over gelezen en moderne kunstwerken bekeken enzovoort; ik heb erover gelezen, dat is alles. Maar ik ben er niet in geïnteresseerd; het zijn tenslotte allemaal maar technieken, hm? Meer niet! Muziek is techniek, schilderen is techniek, alle kunst is techniek. En in die techniek probeert men om, ik gebruik liever niet het woord creatief; ze zijn bezig met vernieuwingen; nieuwe technieken, veranderingen, wijzigingen, zoals die man, Picasso bijvoorbeeld; hij had een geweldige durf om de traditionele zaken te doorbreken. Hij creëerde een geheel nieuwe schilderschool - net zoals je op het gebied van de wetenschap een nieuwe denkrichting kunt creëren. Maar het zijn technieken, en ik ben niet bepaald geïnteresseerd in de techniek van wat dan ook; of het nu muziek is of iets anders. Dat is ook de reden dat ik niet naar al die concerten ga (in het kerkje van Saanen). Een enkele keer luister ik weleens naar klassieke muziek, maar over het algemeen houd ik niet van westerse noch oosterse klassieke muziek, want het is slechts een perfectionering van techniek; spelen met een uitstekende techniekbeheersing.”
RCS) “ . . . En geen hart in zich?”
UG) “Niets, er gaat niets vanuit; ze kunnen niet emotioneel zijn, en vandaar dat de popmuziek in de tegenovergestelde richting beweegt, in een poging de emoties in de mens op te wekken.”
RCS) “Dat is waardevoller?”
UG) “Alle muziek is eender; dit is de moderne aanpak, dat is alles. Waarom zouden we ons druk maken over die klassieke muziek, waarom daar aan blijven hangen? Ik ga werkelijk nooit naar één van deze concerten, en slechts een enkele keer luister ik er naar op de tv of als het toevallig op de radio is. Poëzie, daarin ben ik niet geïnteresseerd, weet je, in geen enkele techniek, nee!”
RCS) “Nee, poëzie is ook niets voor jou UG, dat is me zo langzamerhand wel duidelijk!”
UG) “Romans lees ik ook niet. Verhalen waarin men ‘preekt’ over psychologische problemen interesseren me niet; soms lees ik een detective, daar is wat actie in aanwezig, dat is alles. En zelfs dan kost het me dagen om een boek te lezen, want de spanning van het verhaal gaat langs me heen. Soms zie ik een film, iets grappigs; elke film met een psychologisch thema interesseert me niet. Het is niet dat ik schoonheid niet kan waarderen, maar zie je, je moet de techniek leren, óf door cultivatie, óf door ervaring, dat wil zeggen, door te leven in een bepaald land, cultiveer je die bepaalde dingen van dat land. Al je smaken en criteria zijn gecultiveerd; anders kun je niets waarderen.”
RCS) Iedere kunstenaar weet dat hij inderdaad een bepaalde techniek nodig heeft om een idee te manifesteren, maar hij weet ook maar al te goed dat ná die techniek pas datgene komt wat werkelijk de naam ‘Kunst’ verdient en UG noemt zelfs de allerhoogste uitingen van kunst en de allerheiligste manifestaties van kunst techniek! Alle geestelijke hoogten en emotionele harte-diepten der kunst worden door UG allemaal naar het stompzinnige, botte rijk van de techniek verwezen, alsof hij geen verschil wil zien tussen ‘overtrekken-van-voorbeeld’ en ‘Goddelijke inspiratie’!
Ik denk terug aan het vermakelijke gesprek dat een Mexicaans schilder eens voerde met UG:
B) “Weet u, ik heb zó lang en zó hard geploeterd en gezocht; ik heb gezocht in het schilderen, in het schrijven, ik heb mijn hele leven aan de kunst gegeven, en getracht mijn allerdiepste gevoelens, mijn inzichten en mijn vreugdes uit te beelden !”
UG) “Ja, je wilt niet wèrkelijk vat krijgen op dit probleem, want het zal de gehele structuur van je artistieke ideeënwereld vernietigen!”
B) “Het zal wat? Vernietigen?”
UG) “Die hele artistieke structuur die je voor jezelf geschapen hebt! You will cease to be a painter!”
B) “I insist to be a painter?”
UG) “YOU WILL CEASE TO BE A PAINTER! Je zult niet langer kunnen schilderen!”
B) “Weet u . . . dat kan ik werkelijk nooit over mijn hart verkrijgen!”
En de omstanders brullen van het lachen om het tragikomische-, en met zoveel charme gespeelde antwoord van deze geweldige artiest!
Denk niet dat UG één of andere dwaze malloot is als het om kunst gaat; hij is eerder een ‘supergenie’ waar het gaat om datgene, om die bron waar vanuit onze kunst haar inspiratie zegt te verkrijgen; de hoogste inspiratie die de kunstenaars door de eeuwen heen hebben ondervonden, is de inspiratie die zij rechtstreeks van God, Absolute, Zijn of Creatief-Beginsel hebben ontvangen. En van deze kracht weet en kent UG alle trucjes en methodes! Reden waarom hij de term ‘techniek’ heilig genoeg vindt!
UG) “. . . Ik weet wat er meespeelt bij het waarderen van muziek, poëzie, Maar je hoeft geen enkele school te bezoeken om te leren hoe je de schoonheid in de natuur kunt waarderen! Eèn of andere gozer schrijft een paar regels, of smeert wat speciale strepen verf op het doek, en tja ik begrijp er dan niets van. En hij wil me dan leren hoe ik zijn schilderij moet waarderen! Zie je, in die zin bedoel ik dat alle kunst techniek is. Je zag die man hier net, hm? Hij was het hoofd van een Duitse kunstacademie. Iedere keer als ik dat instituut bezocht kwamen er heel wat studenten mij opzoeken. Vijftien jaar lang vertelde ik ze deze dingen, en ze waren allemaal erg geschokt. Kunst is imitatie van wat er in de natuur bestaat, voor mij tenminste. Jij mag je er dan niet van bewust zijn, van wat jouw bron van inspiratie is, maar zoals bijvoorbeeld met Valentine: zij weet altijd een klavertjevier te vinden, altijd. Ze zegt dat ze er niet speciaal op let of naar uitkijkt, maar ze zoekt er wel degelijk naar. Op precies dezelfde wijze ben jij, en is iedere kunstenaar altijd aan het zoeken naar iets om te imiteren uit de natuur. Hij is een goed imitator!”
RCS) “In die zin ben je dan waarschijnlijk ook niet, meer dan in andere kunsten, geïnteresseerd in Zen-kunst; de bergen, de meditatieve taferelen enzovoort?”
UG) “Nee zeker niet. Het is slechts een bepaalde kunstrichting; de Chinese-school, de Japanseschool, de Westerse-school . . .”
In deze tijd bestudeerde ik een boek over Japanse en Chinese schildertechnieken. In het boek kwamen ook enkele hoofdstukken voor die vertelden over het verband tussen de schilderkunst en het Tao. Deze index-aankondiging had me het boek doen aanschaffen. Maar toen ik in deze hoofdstukken was aangekomen bleek, in mijn ogen althans, dat er slechts gesproken werd over een bepaalde techniek voor het vasthouden van de penselen en het bereiden van kleurstoffen en dergelijke. Deze ‘toegepaste-wijsheden’, volgens het juiste ritueel uitgevoerd, moesten dan het Tao wat dichterbij brengen. Doodse traditie dus, en geen cent werkelijke Tao-kunst zoals ik me daar iets bij voorstelde! Werkelijke Tao-kunst is natuurlijk ook niet uit een boek te leren. Tao-kunst, ‘Kunst-vanuit-het-Zijn’ en ‘Kunst-van-het-Zijn’ hebben minstens de ‘eigen ervaring’ nodig van:
‘Het KUNSTENAARS-ZIJN’, van het Wezen van de Kunstenaar, dat zichzelf uitdrukt. Na maanden van zeer creatieve gesprekken, die Evert en ik hadden over dit onderwerp van ‘het wezen van kunst’ en ‘het wezen van de kunstenaar’, had Evert zijn visie opgesteld in briefvorm en me deze toegestuurd; hij beschreef de ‘kunstenaar die zelf KUNST wordt’:
“Een waar kunstenaar heeft diep in zich een soort ‘Droom’, een ‘Talent’, welke hij dient uit te kristalliseren in de werkelijkheid. In dit proces van zijn talent investeren in de wereld, kan hij zich ‘Waar’ maken, wat wil zeggen: ‘Zijn essentie uitstrooien over het ‘bestaan’ om zo één te worden met dat bestaan. Kunst is niet het maken van een mooi of lelijk plaatje, noch het verdienen van de kost, noch het creëren van bepaalde ‘maatschappelijk-zo-nodige’ bewustmakerij van misstanden, maar een ‘Gebeuren dat zich aan de kunstenaar voltrekt’, dat zich voor hem afspeelt Kunst, met een levensgrote ‘K’ is niet iets dat hij dOET, met een piepklein ‘d’tje. Eigenlijk is het zo, dat de Ware-Kunstenaar poogt het Absolute uit te beelden, - poogt het Zijn te verbeelden - een poging die, als hij waarachtig en moedig ondernomen wordt, uitloopt op de realisatie ‘Het Absolute te ZIJN!”
Schitterender beeld van Kunst en Kunstenaar was ik nog niet tegengekomen!
Het realiseren van deze visie zou het absolute einde betekenen van en vóór de kunstenaar, en pas het begin van ware, werkelijke Kunst! Hiervoor was al het creatieve werk slechts het ‘gedoe’ van het ego . . .
Het ‘verkeren in de directe nabijheid van een verlichte mens’ zou een kunstenaar veel goed doen wat betreft zijn inzichten en manifestatie-macht; immers, het Absolute tot verbeelding laten komen met het ‘voorbeeld’ vlak voor je neus, is altijd lichter te volbrengen dan wanneer je het moet distilleren uit de bomen of de bloemen! Ware het niet, dat het ‘Absolute’ geen model is, noch een leraar-tekenen of schilderen, maar een Paradox!
UG) “. . . Het is slechts een school voor kunsten; de Chinese-, de Japanse-, de Westerse-school, -allemaal met hun heel eigen technieken.”
RCS) “En ook bijvoorbeeld Rembrandt, die op heel concrete wijze de dingen verbeeldt; is het niet zo, dat . . . ?”
UG) “Luister; die gozer probeert alleen maar zijn eigen gevoelens in zijn schilderijen te leggen, dat is alles. Dus het is niet een exacte kopie zoals een foto; het is niet precies zoals het model eruit ziet.”
RCS) “En hoe zit het dan met die foto?”
Ik stel UG deze vraag maar, omdat ik toch even verschrikt betwijfel of hij het nog wel over beeldende kunsten heeft; het klinkt nu niet bepaald ‘artistiek’ als iemand van een kunstwerk beweert dat ‘het wel of niet nèt echt lijkt, nèt een foto‘.
UG) “Bij de foto hetzelfde; ik zie de fotograaf!”
RCS) (Gelukkig!)
UG) “En ikzelf ben ook subjectief; ik vind bepaalde dingen niet leuk, bijvoorbeeld foto’s waarop ik lach. Voor mij is glimlachen zo kunstmatig! Maar ze zeggen dat ik de hele tijd door zit te glimlachen!”
RCS) “Ja, nu ook!”
UG) “Ik weet het niet; ik realiseer me niet eens dat ik lach. Dus zij vertellen me het, ‘dat ik constant glimlach’.”
RCS) “Met kunst is het hetzelfde als met filosofie, hm?”
UG) “Ja, het is allemaal maar een denkstructuur; het betekent niets voor mij.”
RCS) “Er bestaat geen ‘Hoogste-Kunst’?”
UG) “Nee, het speelt zich allemaal nog af binnen het gebied van het denken. Er bestaan voor mij geen ‘absoluten’.”
RCS) “UG, ik heb altijd dat kunstwerk willen maken, dat zodanig van kwaliteit zou zijn, dat iedereen die ernaar keek bij zichzelf zou weten: ‘Ja, het leven bergt een groot en mooi geheim in zich!”
UG) “Wel, mogelijk slaag je daarin, ik weet het niet; niet in mijn geval, dat is zeker! Ik kijk er gewoon wat naar en zie wat kleuren, een paar lijnen, geordende lijnen, Maar misschien lukt het je. Zie je, je wilt een publiek, anders heeft het geen zin. Als je zingt, wil je toehoorders, mensen die je waarderen. Er is een waarde voor die dingen, en voor alles wat je doet. Sommige mensen zeggen: ‘Wij zijn creatief bezig, maar het doet ons verder niets; we willen niet perse gaan exposeren, geen erkenning’. Maar dat is allemaal onzin! Als je het aan iemand anders laat zien betekent het dat je de waardering van iemand wilt. Zelfs al wil je het niet voor geld verkopen.”
RCS) “Ja, je wilt dan toch erkenning.”
UG) “Ja, zelfs al wil je er geen geld voor in ruil.” .
RCS) Dus omdat kunst of filosofie niets van doen hebben met waar jij het over hebt, kan ik juist doorgaan met ‘kunstenaar te zijn’ . . . , júist omdat ik nu op één of andere wijze bevrijd ben van ‘hoog-gespannen-verwachtingen’ uit deze hoek van kunst en filosofie.“
UG) “Ja, ga gerust je gang, ik zeg er niets tegen! Maar je hebt in ieder geval een model nodig, zie je; je perfectioneert de hele tijd, maar de natuur gebruikt helemaal niets als model. Dit is het verschil tussen een artiest en de natuur;
‘Als je je bevrijdt
van de verstikkende greep van de techniek
- want een model wordt altijd gebruikt als model voor de techniek -
als dat is vernietigd,
zul je ophouden een schilder te zijn!’
Dat betekent niet dat abstracte dingen meer creativiteit in zich hebben dan andere, want zij worden ook slechts gecreëerd naar een model, zie je?
‘Er is slechts CREATIVITEIT,
als een afgewerkt product
niet het model is voor wat dan ook’.”
RCS) “Je bedoelt - bijvoorbeeld - jezelf!?”
UG) “Ja. Je kunt ‘dit’ niet imiteren, het is afgelopen!”
RCS) “En dat is werkelijke creativiteit!?”
UG) “Jazeker, omdat het constant iets nieuws creëert. Ofschoon jij vindt dat het een herhaling lijkt van dingen, is het niet een herhaling in die zin. Zie je, de tegenspraak valt je op, maar het is niet werkelijk tegenspraak. Wat ik hiervoor heb gezegd, wordt nu vernietigd door de volgende bewering. Je hoeft niet vast te houden aan het logische denken van de mensen “
RCS) Ware-Creativiteit bestaat dan wel, maar je kunt het nooit of te nimmer voor iets GEBRUIKEN! Ware Creativiteit is van het Creatief-Beginsel, van het Absolute. Zo gauw wij, welwillende
doenertjes, denken dat wij - als het ware door die Absolute kracht heen - de schepping kunnen verrijken met Hemelse Schilderijen en Goddelijke Dichtwerken, maken we een soortgelijke vergissing als die man, die in een quiz werd gevraagd, ‘waarvan een kunstoog gemaakt is’:
De kandidaat weet het antwoord niet, en de quizmaster vertelt hem vervolgens het antwoord: ‘Van glas.’ ‘Och ja!’, roept de klungelige kandidaat hoofdschuddend: ‘Ja, het spreekt ook eigenlijk zo vanzelf, hm? Je moet er immers doorheen kunnen kijken!’
Maar er bestaat niemand, er woont niemand achter de Ware Creativiteit die hem kan gebruiken!
RCS) “. . . UG, laten we Einstein nemen. Als dit, deze Natuurlijke-Staat aan hem zou toevallen, denk je dan niet dat hij hierdoor een nóg briljanter fysicus zou zijn geworden?”
UG) “Nee! Hij zou ophouden een wetenschapper te zijn! Zie het zo; of een mens is ‘niet-ambitieus’, in de zin dat hij zichzelf niet ‘waar’ kan maken, zichzelf niet kan vervullen, en dan is hij ziek. Of hij heeft afgedaan met de hele handel!”
RCS) “En dat laatste betekent dan dat hij zich in de Natuurlijke-Staat bevindt “
UG) “Als hij met de hele zaak heeft afgedaan, zou hij het niet meer met zelfs één vinger aanraken! Hij zal geen betere schilder worden, geen betere artiest, geen betere musicus en geen betere wetenschapper! Hij zal niet plotseling een geniale geest hebben en buitengewone dingen gaan uitvinden. Want alles wat uit die gedachtes komt is destructief -op de lange duur. Al het onderzoek heeft geresulteerd in vernietiging van het mensdom. Als hij het niet geweest was, zou een ander het gedaan hebben. Ik ben ook geen groot bewonderaar van Einstein. De Joodse achtergrond lag achter zijn onderzoek. Er bestaat niet zoiets als puur-onderzoek. Hij was het land uitgegooid en hij bloeide op in Amerika! Al zijn werk werd mogelijk gemaakt in de Verenigde-Staten. Hij wilde niet dat Duitsland de oorlog won. Zeker, niet dat ik Duitsland de oorlog had willen laten winnen, maar . . .“
RCS) “Ja, dus als dit mij zou overkomen zou ik geen beter artiest worden, geen beter autobestuurder, niets!”
UG) “Nee, de hunkering is er niet langer. Maar ik heb nog steeds mijn voorkeur en afkeur; zij beïnvloeden altijd. Ik ga bijvoorbeeld niet vaak naar de bioscoop. Waarom? De film interesseert me niet, begrijp je wel? Dus wat ik zeg is anti-sociaal, anti-cultuur, anti-ALLES! De dag waarop men er in zal slagen mij in zijn religieuze structuren te passen, betekent het einde voor me!”
RCS) “Wat bedoel je met ‘einde’?”
UG) “Als men dit begrijpt binnen het raamwerk van zijn religieuze denken, of materialistische denken, dan is dat het einde!”
RCS) “Ja, maar wat bedoel je met ‘het einde’? ‘Dan heb jij geen nut meer’ om het in die woorden te zeggen?”
UG) “Zeker, Als er al enig nut is, dan is die nuttigheid verloren!”
RCS) Kunst met een grote ‘K’ vindt in alle stilte plaats, in oneindige stilte! Ik stel daarom voor om over deze KUNST voortaan alleen nog maar te fluisteren, zo:
‘kunsst . . .’
‘Als jij je bevrijdt van de verstikkende greep van de techniek
- want een model wordt altijd gebruikt als model voor de techniek -
. . . als dat is vernietigd, zul je ophouden een schilder te zijn!’