STUDIO ROBERT C. SMIT
Achtergrond informatie Robert C. Smit
analoge werkperiode
INFORMATIE
ROBERT C. SMIT
CURRICULUM VITAE
Periode 1978 - 1992
Deze periode werd afgesloten
met artistiek onderzoek en diepgravende studie in de
onnavolgbare wereld van de digitale kunst:
ANALOGE WERKEN- ONDERZOEK:
Praktijkstudie filosofie in Gstaad, Zwitserland.
Onderzoek naar aard en wijziging van
conditioneringen, toegepast ook op beeldvormen,
1978-1984.
Microscopie-experimenten met kristalstructuren en fotografie ervan. Doel is inzicht te verkrijgen in de aard van op natuurlijke wijze ontstane composities,
1986- 1988.
Studiereis naar India. Verdieping m.b.t. interpretatie van meditatieve schilderingen. Deze yantra's bieden de verstilde beschouwer een spiegel voor het innerlijk wezen en vertolken een band tussen innerlijke emotie en uiterlijke vorm,
1978-1979.
EXPOSITIES:
Verkoopexpositie Femina Ahoy, Rotterdam 1977;
Galerie Bon Art, Haarlem 1978;
Reizende exposities (6) in Noord-Holland, georganiseerd door Culturele Raad Noord-Holland 1978;
Expositieruimte Spaces, Spui, Amsterdam 1979;
Felison, Museum Beeckestijn, Velsen-Zuid 1980;
Stadhuis IJmuiden, Velsen 1981;
Petri Interieur Architectuur, Haarlem 1982;
Markt-expositie Vishal, Haarlem 1987;
Expositieruimte Circustheater, Scheveningen 1988;
Galerie Bruno Boersma, Hilversum 1988.
OPDRACHT WERK:
Hout-constructie, Velsen 1981;
Tekening doorzicht van fasecontrast-microscoop voor East-West-Agencies, Den Haag 1982;
Keramiek paneel W.F. Visserhuis, Velsen 1986;
Wandpaneel Maritiem-Instituut-lJmond, Velsen 1987;
Muurschildering Laatste Oordeel in Laurentiuskerk, Heemskerk 1987.
Inlegwerken Marmoleum, vrijwerk, Krommenie 1992.
WERK AANGEKOCHT IN:
Nederland, België, Zweden, Italië, India.
INTUÏTIEF MATHEMATISCHE CONSTRUCTIEVORMEN:
Inkt:
Mijn eerste werken (1972) bestonden uit streng geconstrueerde zwart-wit inkttekeningen. Dicht opeen gebouwde torenflats en strakke herhalingspatronen van meetkundige precisie vormden het bizar beeld.
Ik werd geroerd door de onpersoonlijke schoonheid die deze, toch door mensenhanden vervaardigde, vormen bezielde. Onder dreigende hemelgewelven van diagonaal zwarte balken was er uitzicht door de verticale tralies van een witte balkonreling op een stad van gearceerd grijs. Vervreemding was hoofdmotief van het beeld.
Wetten:
Geleidelijk maakte dit 'tekenen naar de natuur' plaats voor ontzag voor de esthetiek van de vormen, losgekoppeld van hun werkelijkheidsbeeld. Gebouw-structuren evolueerden tot samenstelsels van schone wetmatigheid en rechtlijnige verhoudingen. De 'Gulden Snede' ging afmetingen beheersen van vlakken en diepten, en verbeelding werd slechts toegelaten voor zover de 'absolute formules' daartoe ruimte lieten.
Kleur:
Na een aantal jaren lijkt het aspect van de rede, in rationeel zwart-wit, bevredigd. Kleur mengt zich met de 'wetten' om hen te vervullen met meer emotie. Aanvankelijk eisen de wetten dat kleuren zich in zeer bepaalde golflengtes manifesteren. Later ontstaan beelden waarin kleur de boventoon voert. Gelijk opgaand hiermee neemt ook de abstractie toe.
Olieverf-Collage:
In 1986 lijm ik mijn eerste collage. Hij is opgebouwd uit segmenten van zwart-wit tekening en olieverf-beschilderde 'huidjes' karton met als basis een olieverf onderschildering.
Doelend op het onderwerp van de afbeelding noem ik ze 'Poserende Landschappen' of 'Weidse Stillevens'; stilerende rudimenten van gebouw-constructies onderhouden via perspectivische krachtlijnen verbindingen met de ruimtelijkheid van het landschappelijke.
In de collages wordt de esthetiek gestuurd door een wetmatigheid die vanuit het beeld zelf tot ontplooiing komt. Deze 'natuurlijke orde' wenst zich uit te kristalliseren als een gewelf van meedogenloze resolutie.
Kristal:
Ik heb gezien, vorsend door een polarisatie-microscoop, dat geordend licht onzichtbare spanningsvariaties in een kristalstof kan omtoveren tot een stralende compositie van kleuren; de natuurwet toont zich een creatieve kracht. Op soortgelijke wijze streef ik ernaar mijn eigen innerlijke spanningsvariaties om te zetten in beeldvormen, zonder enige persoonlijke vertroebeling toe te voegen. Ik verlang daarbij als 'doorgeefluik' te fungeren voor latent reeds aanwezige vormen. Enigszins paradoksaal zou mijn ideaal hier zijn wanneer ik absoluut niets van mezelf in de werken zou leggen. De openingsspeech 20 jaar later uitgesproken bij de expositie van collega Theo Beunen licht dit aspect nader toe.
Innerlijk:
Filosofie en kunst bewegen voor mij op hetzelfde spoor: filosofie volgt de innerlijke weg van zoeken naar de essentie van vormen en waarden, en kunst reist buitenwaarts, waar de ontloken inzichten zich tot concrete beelden materialiseren.
Evenwicht:
Het begin van een collage is de eenvoudige evenwichtstoestand die er heerst in de opzet van de onderschildering. Met het opplakken van de eerste kleurhuidjes raakt dit evenwicht verstoord. Nu is het de opgave om met elk volgend huidje een hoger evenwicht te herstellen.
Concreter:
In het huidige werk is de abstractie van de composities niet langer werkelijk het tegendeel van concreet; hij is veel meer een superlatief van concreet, zoals in de ogen van Plato het 'Idee-huis' concreter, werkelijker is dan het bakstenen huis. Dit hangt samen met het feit dat het materiaal van het beeld niet ondergeschikt is aan het beeld.
De collages zouden willen functioneren als spiegel voor de geest van de verstilde en zich concentrerende observator. Zo bezien zou ik ze willen beschouwen als westerse modellen van yantra's of mandala's uit de Indiase kunst- en filosofiecultuur.