contact

S L E U T E L




Vreemd verschijnsel, die traditie. Wonderlijk feest en niet te dragen pijn, ons leven van traditie. Wat toch is haar wezen, waar komt ze vandaan, waarom is traditie hier, en hoe werd zij toch mij?


Traditie heeft twee handen en een sleutel. De ene hand is goed, de andere hand boos, en de sleutel zoekt haar slot.


Scheppingsdrang en scheppingskracht, het vermogen om uit de stilte van het zijn een uitbundig feest van namen en vormen te scheppen, is het goede van traditie. Het is durf en kunde om het nieuwe te ontdekken en te beproeven, en om het oude als afgedaan te beschouwen. Het is de frisse zin om te leven en om uit te delen wat er is. Het is de liefde tot zichzelf en de ander, en de toewijding en de zorg voor al het leven. Het goede van traditie is de onaardse vreugde van de voortplanting, van het manifesteren van wijze kennis-systemen, van spirituele technieken en de vele scholen voor wijsheid. Het inviteert de heiligen en wijzen, en beheert de esoterische waarheden met zorg en zuiverheid. De goede traditie installeert een maatschappij waarin dankzij orde en regelmaat, er vrijheid en vreugde kunnen bloeien.

Het goede van traditie wenst geluk voor allen.


Het boze van traditie is haar vernietigingsdrang, haar vermogen om de dingen duister en dom te maken. Het boze van traditie is het kortzichtig beperken van het leven. Het is de angst zich bloot te geven en de wellust om de ander te bedekken. Het is het hemeltergend taboe rond seksualiteit en het is de heilige oorlog, de inquisitie, en het moorden voor een godsbeeld. Het boze van traditie is het benepen zondig-voelen na het veroorzaken van de vijand en het liegen tegen de vriend. Het boze van traditie is de verstokte arrogantie van de schriftgeleerde en zijn ambitie om ook anderen met zijn hoogmoed te verlammen. Het boze van traditie is de vrees voor de dood en de angst om te leven.


De sleutel van traditie speurt sinds het besef van haar bestaan naar het slot van het verhaal. Zij is op geen enkele wijze geïnteresseerd in het behoud van traditie. Ze wenst te ontdekken wat er wacht voorbij traditie, wenst te ontdekken waarop traditie en zijzelf steunen. De sleutel van traditie is vastbesloten om iedere deur die haar tegenhoudt wijd te openen, elk establishment dat haar onderdrukt verre te overstijgen, en alle raadselen die haar bedekken onvermoeibaar te onthullen.

Zij neemt geen genoegen met twee, want ze heeft gehoord van Eén.


Alle tijden van haar bestaan had de sleutel het als haar roeping gevoeld, en was het haar sterkste drang geweest om het slot van haar verhaal te zóeken, om vervolgens dat slot te vinden, en om ten'slotte' het te openen. Met deze vrijmakende handeling zou zij zichzelf verlossen van haar leven in traditie en terugkeren in het ene leven zonder tweede.

Ze had niet stilgezeten al die jaren, behalve dan wanneer haar leraren haar ten behoeve van haar spirituele disciplines dat hadden opgedragen. Ze had stilgezeten tijdens haar concentratie-oefeningen, stilgezeten tijdens haar meditatie-zittingen, en stilgezeten tijdens haar contemplatie-disciplines. En al deze stiltes hadden haar niet dat slot doen vinden dat haar leven zo beperkt hield. Haar leraren hadden haar niet meer verder kunnen helpen. Die hadden haar aangeraden om dezelfde oefeningen met meer toewijding en grotere inzet nóg eens te doen.


De enige vrucht die de integere sleutel van haar zwoegen mocht plukken was het trieste inzicht dat geen enkele sadhana of opoffering haar dat resultaat had gebracht waarnaar zij het meest verlangde: bevrijding van haar kluisters.

Ze had zich onderworpen aan strenge spirituele regels met betrekking tot seksualiteit. Maar ze had nu begrepen dat het zoeken naar god en het beleven van seksualiteit niet wezenlijk verschillend zijn. Het zoeken naar god ís seksualiteit. Ieder spiritueel zoeken naar het hogere is sensuele genieting.

Ook had de sleutel gezien hoe yoga niet leidde tot samadhi, maar hoe de staat van samadhi leidde tot yoga: een langdurige ervaring van samadhi doet het lichaam dusdanig afkoelen en verstijven dat de wijze, terugkerend vanuit die staat, het onderkoelde lichaam een aantal natuurlijke bewegingen laat maken die het lichaam op de juiste wijze weer tot leven brengen. Deze bewegingen zijn yoga, en yoga is dus gevolg van waarheid en niet oorzaak er van.

En dan maya dat gewoonlijk wordt begrepen als de illusie van de wereld. Maar maya betekent niet de illusie van de wereld, maar het meten aan de wereld. De niet-werkelijkheid van het ego, de illusie van afgescheidenheid, beschouwt zichzelf als een punt van werkelijkheid, en vervolgens worden van daaruit alle dingen gemeten. Zo ontstaat het andere en komen de tienduizend dingen tot aanschijn, zoals afstand, plaats, tijd, ruimte, schoonheid, horizon. Maar niet de wereld is een illusie, maar het observatie-punt, de kijker, die ik ben.


Vooral dit laatste inzicht, de onmogelijkheid om de wereld werkelijk objectief te zien, had de sleutel erg verontrust. Ze had haar leven lang gemeend dat ze om zich heen kijkend de wereld zou kunnen zien zoals die werkelijk is om vervolgens met die beelden ooit het slot van haar verhaal te kunnen opsporen. Met schrik had ze nu beseft, dat het rondkijken in de wereld niet veel anders betekende dan het telkens opnieuw ervaren van de tatoeage die in haar netvlies gekerfd stond. Niet dat de wolken in de lucht boven het landschap niet voorbij dreven, of de jaargetijden geen afwisseling vertoonden. Niet dat er geen variatie was in de wereld om haar heen of dat haar leven geen stemmingen kende. Maar het waren altijd weer de variaties van hetzelfde. Waar het oog maar keek kreeg het telkens hetzelfde beeld van tweeheid te zien, het landschap van elkaar veronderstellende tegendelen. De wereld kon zich met haar meest weelderige kleurenpracht tonen in haar meest briljante zonnegloed, maar de sleutel zag doorheen die luister constant de belevenis van hetzelfde: haar terugkerende nachtmerrie waarin zij onafgebroken rende over smalle paden door een dicht woud, zich al zoekend realiserend dat geen van deze paden kon leiden naar het voeteind van het bed waarin zij lag te dromen . . .

De arme sleutel moest onafwendbaar tot de beklemmende conclusie komen, dat haar zoektocht naar het slot van haar verhaal volkomen stagneerde. Niet wegens gebrek aan doorzettingsvermogen of daadkracht, maar vanwege de aard van het zoeken, vanwege de onontkoombare natuur van de tweeheid. De sleutel kwam tot de verschrikkelijke realisatie dat zij gevangen zat in haar ontsnappingspoging.





O P E N D E U R


Feest, feest, feest; groot feest! De sleutel heeft haar slot gevonden. In een laatste poging haar stagnatie te doorbreken had ze aangeklopt bij de wijze. De deur had los gestaan, en was vanzelf zachtjes naar binnen toe opengegaan toen ze hem aanraakte. Niet vermoedend dat achter deze open deur het slot haar wachtte, bleef ze in de deuropening even staan, als om zich af te vragen of ze wel binnen zou gaan. De wijze bemerkte haar echter en zag direct haar ongeluk. Hij riep haar met heldere stem toe: stop maar lieve sleutel, je hoeft niet binnen te komen. Je kunt nu stoppen met zoeken. Luister goed: het slot waar jij je leven lang naar zocht bestaat nergens in de wereld. Je hebt je slot vanaf het begin bij je gedragen. Jouw slot is daar waar jij ophoudt te zijn.


Het waren eenvoudige woorden, maar ze hadden de sleutel getroffen en geschokt tot ver voorbij haar wezen, haar smartelijke sleur van slot en sleutel voorgoed vernietigd.

De sleutel had een eeuwigheid gespeurd naar een vergrendeld slot dat haar gevangen hield, naar een gevangenis die met behulp van haar sleutel geopend had moeten worden. Maar nu vertelde deze wijze haar dat het slot van haar verhaal daar was, waar zij ophield te bestaan! Na eeuwen van zoeken, doorzetten, inzicht, strijd, intuïtie, hoop en opoffering om haar slot te vinden, werd haar hier in een paar woorden het slot getoond.

De sleutel wilde blij zijn, wilde lachen, moest ook huilen. Ze keek naar de grond voor haar voeten, ze staarde ontzet naar het gezicht van de wijze, ze voelde zich warm worden, ging gloeien, ze wilde hem danken, hem . . .

Ze voelde een vreemde lichtheid van binnen en van buiten. Het duizelde haar, de kamer en de wijze draaiden voor haar ogen en ze voelde dat ze alle houvast nu ging verliezen. Onthutst greep ze naar de deurpost, ze greep mis, en ze graaide nog eens, maar ze viel. De deuropening naar de wijze bood slechts doorgang, en geen houvast aan het slot. Ze viel, en ze viel echt, ze viel dieper, ze bleef vallen, en er kwam geen einde. Het was geen val door de aardbodem naar het onderaardse. Het was geen tuimeling in de droomwereld vol goede geesten. Het was geen wegzinken in de hemelse kleurenpracht van het mystiek visioen. De sleutel viel zonder richting, viel zonder boven of beneden, viel eenvoudig in zichzelf.





S C H O O N S C H I P


De sleutel vond zichzelf terug op het dek van een nietig scheepje dat zich over een oneindig uitgestrekt watervlak voortbewoog. Zij meende die beweging te mogen afleiden uit het gebruis van opspattend boegwater. Dat was trouwens het enige wat aangaf dat het schip ten opzichte van het water bewoog. Op geen enkele andere wijze was beweging te constateren. Het schip zelf voelde men niet bewegen, het schommelde en deinde niet in het minst, en het water vertoonde geen enkele golfslag of stroming. Ook was er geen zuchtje wind te voelen, geen wolkje dat enige notie van vaart of richting kon geven, geen silhouet van een oever, zelfs geen zon die met haar gloed een vast punt aan de hemel kon tonen. Niets van dit alles, geen enkele verstoring van de serene rust die in deze wonderlijke wereld helder aanwezig was. Er was de oneindigheid van het water, er was het scheepje dat daar apart van was, en er was de boodschapper tussen die twee, het bruisende boegwater.


De sleutel had zich in het begin wat onwennig gevoeld tussen dit stille niets, maar langzaamaan was zij aan de vredigheid gewend, had haar in zich opgenomen. Zij voelde het water haar roepen, haar verleiden, en ze zou die roeping beantwoorden met een laatste daad. Ze schreed langzaam naar de reling, boog zich tot ver boven het water, gereed en gretig om het kale schip achter zich te laten en de diepten van het onkenbare te ontmoeten, zich over te geven aan de klaarheid van Leven.


Het moment dat ze het schip wilde loslaten greep een sterke hand haar vast en hield haar tegen. Alstublieft, stel het welkom nog heel even uit, sprak een mooie stem op vriendelijke toon achter haar. De sleutel draaide zich dromerig om. Ze schrok niet, er was geen ongeduld in haar om het water nog even te moeten laten. Ze keek de verschijning vriendelijk aan, glimlachte om zijn plotseling verschijnen en nog onverwachter optreden, en vroeg of hij de kapitein was van het scheepje. Ja, de kapitein was de kapitein, maar, zo voegde hij er direct aan toe, hij was het niet die het schip stuurde, het schip stuurde hem. Dit is een vreemd schip, zei hij, en u vergist zich wellicht ook in het opspattende boegwater, want u denkt vast dat mijn schip door zijn vaart het water doet opspatten. In het geheel niet. Mijn schip staat alle tijd van haar bestaan stil. Het is het water dat met vaart langs haar heen beweegt. Dit schip heeft geen motor en geen zeilen en zelfs geen wind mee, dus hoe zou zij vooruit kunnen bewegen? De sleutel lachte geamuseerd om zijn toelichting, en vroeg de kapitein waar zijn schip dan aan verankerd lag zodat het niet mee zou drijven met de gang van het water. De kapitein werd ernstig. U vraagt mij waarmee dit schip op haar plaats verankerd ligt? Dit hele schip, ieder onderdeel bestaat uit louter weigering om ooit te bewegen, ooit tot leven te willen komen! Binnenin het schip is het heel triest. Hij nam de sleutel bij haar arm, en hurkte met haar neer op het dek van het schip. Hier voel eens, alles is ijs, kraakt in haar diepgevroren voegen. Het hele schip staat verstijfd van de koude. Hoe kun je van zoiets verwachten dat het ooit zou willen bewegen, zich laten meedrijven met het water?

De sleutel wendde even haar hoofd naar het water, als om haar excuses aan te bieden voor het op zich laten wachten. Ze voelde steeds sterker de lieflijkheid van het water en de wens om haar voor eeuwig in haar armen en haar hart te sluiten. Maar het was geen liefde die wilde ontvangen noch liefde die wilde geven, maar liefde die wilde zijn. In de smetteloze ruimte die deze liefde haar liet, kon ze in al haar rust de kapitein aanhoren, en zijn treurige geschiedenis van het schip tot zich nemen.

De kapitein zag haar ontvankelijkheid en begon te vertellen, het verhaal van traditie en tragedie, van de dood die zegt het leven te zoeken, maar verkommert in die leugen.


Dit schip is het schip van traditie. Het is het schip van de schepping, van de aarde en de hemel, van de hel en het paradijs. Alles wat de mens kan kennen en kan ervaren is in dit schip. Buiten dit schip is geen wereld, is geen hemel, geen god, geen afgescheidenheid, is ‘niets anders’.

Dit is het schip van stagnatie, van ijdele hoop en wanhoop. Het volgt geen koers en heeft geen doel, verliet nooit een haven van vertrek en bereikte nooit een haven van aankomst. Mijn scheepje herbergt levende passagiers noch bemanning; het heeft de dood aan boord. Dit onzalige schip heeft geen bouwer ooit gekend, geen werf als vader gehad; het is helemaal vanzelf ontstaan. Haar verschijning is ook niet van hout of metaal, maar van ingevangen waterspatten die kort na aanvaring met het schip het leven lieten, en nu verkommeren als diepgevroren ijsschilfers. Zo deden ze het schip groeien. In het begin was mijn scheepje onzichtbaar klein maar door alle tijden heen hechtten zich meer ijsschilfers en die gaven het schip het aanschijn dat zij nu heeft.


De sleutel had zachtjes de hand van de kapitein in haar hand genomen. Niet om hem te troosten in zijn pijnlijke functie maar om hem te laten voelen dat troost niet nodig was, dat er niets anders is dan het heerlijke genade-volle water, altijd, overal, ook in het ijs. De kapitein kneep even met zijn hand in de hare, als om te zeggen dat hij dit wel wist dat voor de sleutel en hem zelf deze twee handen één hand zijn, en dat dit scheepje voor hen geen pijn betekende, maar gewoon een brokje ijs was. Maar niet voor al die armzaligen in het schip, sprak hij met nadruk. De grootste tragedie in mijn schip is wel dat men er zoekt naar oneindige vreugde, naar het oneindige water, maar dat men er niet alleen door omgeven is, maar zélf in diepste wezen water is. Waarom ziet men dit eenvoudige feit niet, waarom houdt mijn smartelijk schip zich zo lang in stand. Er is zoveel verdriet en angst aan boord, zoveel scheiding door dood en ziekte, zoveel leed. De kapitein verhief zijn blik van de handen naar het gezicht van de sleutel. Ik zie wel hoe het werkt, waar het fout gaat, en dat er beschikt is dat pijn geen werkelijk bestaan heeft, maar waarom is het schip niet al lang geleden opgelost. Er zijn bezoekers op het schip geweest die de boodschap van het levende water duidelijk hebben meegedeeld aan het schip. Waarom blijft het schip volharden? Waarom blijft het schip hechten aan haar vorm, aan haar hardheid, haar naam, haar kennis, aan haar anders zijn dan het water.

Mijn schip van traditie zegt dat zij de waarheid zal vinden met behulp van de kennis die zij sinds haar ontstaan heeft verzameld. Mijn schip van traditie zegt dat zij over enorme wijsheid beschikt in haar arsenaal van vele tienduizenden jaren oud. Zij is er diep van overtuigd dat zij Plato, Krishna, Christus en hun gelijken moet blijven bestuderen omdat zij de verbinding zouden vormen met de bron. Maar waarom ziet mijn schip van traditie niet dat juist het vasthouden aan die historische wijsheden de bron van nu verborgen houdt, onbereikbaar maakt. En waar blijven trouwens de resultaten van al dat studeren?

De sleutel glimlachte en keek de wonderlijke kapitein diep in zijn lieve ogen. Daarin zag ze haar eigen zoeken naar het slot weer spiegelen. Kapitein, hoe licht is het toch om het andere te doen of te laten, en hoe gemakkelijk valt het ons om te wensen naar bevrijding en vervolgens meer te hechten aan die wens dan aan bevrijding. Hoe vaak ziet het oog, hoe zelden zichzelf? Ik zocht mijn hele leven naar mijn slot, maar ik nam met dat hele leven de plaats in van mijn slot. Tot ik op een dag de wijze ontmoette. Hij toonde mij dat Vreemde Wezen dat niet kon bestaan in de dualiteit van mijn leventje, en mijn kleine zoekers-leventje smolt. Hij schonk mij die genade die niet kan bestaan in de wereld van tweeheid. Hij schonk mij het levende water.


Het is zo'n wonderlijke zaak, zuchtte de kapitein. Kijk eens daar, in het midden van het schip, kunt u het ijs lezen? Daar spreekt Christus tot zijn discipelen. Hij zegt dat de vossen holen hebben, en de vogelen des hemels nesten, maar dat de zoon des mensen niet heeft, waar hij het hoofd neerleggen kan. Christus sprak deze woorden in een tijd en op een plaats dat daar de boeg van het scheepje was. Christus' woorden waren nog geen ijs geworden, ze bruisten nog in een iriserende schitter vanuit het onkenbare water omhoog op weg naar de discipelen, zich offerend om door hen als levende waarheid ontvangen te worden. Maar de discipelen konden zijn woorden niet direct geloven. zij hoopten dat Christus' woorden iets met hun ijs zou doen, er vrede in brengen. Ze wilden de woorden eerst bestuderen, vergelijken met eerdere uitspraken en de juistheid van de woorden wegen. Maar wat zij uiteindelijk hebben gewogen en bestudeerd was ijs, diepgevroren ijsschilfers, die al lang niets meer met Christus te maken hadden. En dat was nu precies wat Christus' woorden wilden duidelijk maken: waarheid is niet van deze wereld, is niet van ijs gemaakt. Het water van waarheid bevriest onherroepelijk in deze ijswereld. Luister dus als de woorden nog water zijn, nog tintelen in de sprankeling van het Leven. Waarheid kan niet bewaard worden voor later, want later is altijd de tijd van de dood.


Christus kan in het ijs geen plaats vinden om zijn hoofd neer te leggen. En wat deden de discipelen destijds en heden nog steeds met hun hoofd? Zij nestelen zich in de studie van morsdode bijbels en trachten die tevergeefs tot leven te wekken door telkens opnieuw de enig juiste interpretatie te verzinnen. Men verdoet de tijd met ijdel dralen in ijzige kathedralen en men perst het lieve leven in wanstaltige wetten en regels en vermoordt het daarmee. Men heeft Christus voor het eerst gekruisigd tweeduizend jaar geleden, en sindsdien iedere seconde opnieuw. En niet alleen Christus; overal en altijd waar onwaarheid woekert, kruisigen mensen Christussen, en wanhopen ze niet om de waarheid die ze zojuist bruut afslachtten, maar om een onvoordelig c.a.o. Men is bang voor de waarheid, want de waarheid breekt het ijs.


De ijsheiligen op mijn schip lezen in de geschriften dat de zuivere mens is verontreinigd met onzuiverheid, en dat met behulp van de groten uit de traditie de onzuiverheid verwijderd kan worden waarna de mens weer in zuiverheid zal leven. Maar de ijsheiligen zien niet waaruit die onzuiverheid bestaat: uit de vele interpretaties over wat Plato, Krishna, Christus, en al hun gelijken gezegd en bedoeld zouden hebben. De ijsheilige beweert dat de groten uit de traditie de verbinding vertegenwoordigen met de bron. Dit is juist, maar die verbinding is niet een pad waarover het eindproduct van het pad, de onzuivere mens, kan terugwandelen. De onzuivere mens ís dat pad. De potloodlijn bestaat aan het einde van haar streep uit een getekend vlakgom. Hoe zou dat getekende vlakgom ooit haar getekende lijn kunnen uitwissen? Slechts iets dat boven de tekening uitstijgt, de levende waarheid, kan deze vergissing aantonen en onschadelijk maken. De vergissing zit hem in de schijnbare dualiteit tussen pad en terugwandelaar. Als zij inderdaad twee zouden zijn, zou de mens met slechts het ingrediënt inspanning kunnen terugwandelen. Als sleutel en slot twee zouden zijn kan er geopend worden. Maar pad en terugwandelaar zijn één ding, één waanidee, tot ontstaan gebracht door de spiegelwens van de oersoep om geproefd te worden. Wanneer de wijze de waarheid mag richten op de schijnbare tweeheid van pad en terugwandelaar zal de eenheid van beide aan het licht komen, en de terugwandelaar in een flits worden weggestreept tegen het pad . . .

De kapitein zuchtte diep.

Ach, het is eigenlijk niet terecht dat ik treur. Mijn schip van traditie heeft mijn betrekking van kapitein doen verschijnen. Ik moet haar dus een vreemde dankbaarheid betonen voor mijn bestaan.

De sleutel keek hem eens aan. De kapitein keek terug en vertelde haar dat hij wel begreep dat in werkelijkheid er geen lijden kon bestaan, en dat niets van het schip werkelijkheid bezat, maar dat dit voor hem toch ook gold, en dat hij zich dus in een wonderlijke positie bevond.


Kapitein, kom eens mee, sprak de sleutel zacht, terwijl zij zich begaf naar de boeg van het schip. Kom hier naast mij zitten, en buig dan zover over de reling dat u langs de boeg tot in het bruisende spatten kunt zien, want daar gebeurt het subliem-geheim, het subliem-geheim waardoor ik kortgeleden bevrijd raken kon. Dankzij deze waterspatten blijft uw schip van traditie tot in lengte van dagen verbonden met het Leven. Deze waterspatjes onder ons zijn heel bijzonder want zij bestaan nergens in de oneindige uitgestrektheid van het onkenbare water, en evenmin bestaan zij ergens in uw schip van traditie. Deze waterspatjes bezitten in zich het subliem-geheim, en zij ontstaan slechts daar waar het schip het water stoort, waar traditie het levende water in de weg staat. Kapitein, begrijp goed dat het oneindige water niet is geïnteresseerd in de waterspatjes, noch raakt verstoord door de onrust die het schip van traditie teweeg brengt. Maar voor uw schip van traditie betekenen deze wonderlijke waterspatjes de waarheid, de waarheid van het Leven. Deze wonderlijke waterspatjes vormen de altijd aanwezige verbinding tussen schip en water, tussen dood en leven, en op een heel natuurlijke wijze. De wonderlijke waterspatjes kunnen boodschapper zijn doordat ze de vormloze kwaliteit van het water aan het schip tonen in een vorm. Water op zich kan niet worden gezien door het schip, maar waterspatjes wel, die lijken op de ijsschilfers waaruit het schip is opgebouwd.


De sleutel begon zachter te spreken want het moment van onthulling was daar. Zie ze bewegen, ze leven, onafgebroken de boodschap van waarheid opnemend uit het water en afgevend aan uw schip van traditie. Maar kijk eens heel goed, heel aandachtig naar één zo'n spatje, één zo'n drupje waarheid. Ziet u het? Ziet u het gebeuren? Kijk, kijk heel precies, riep de sleutel naar de kapitein. Kijk die spatjes, ze bestaan, maar ze kúnnen helemaal niet bestaan! Ze hebben geen tegendeel! Ahh! GEEN TEGENDEEL, begrijpt u? Ze missen een tegendeel! Alles, ieder ding op uw schip kan slechts bestaan als helft van een paar van tegendelen, als tegendeel van altijd ‘iets anders’. Maar hier ziet u een ding, een spatje, dat bestaat zonder zo'n tegendeel. Is dat geen wonder? Niets kan bestaan, niets mag bestaan zonder haar tegendeel, dat is volstrekt onmogelijk. Geen enkele natuurwet staat dat toe, dingen zonder tegendeel. En hier, vlak voor uw schip gebeurt dat wonder in een oneindige opeenvolging constant. Dit is het wonder van de waarheid, en dit is het Vreemde Wezen dat de wijzen door alle tijden heen schenken aan uw schip van traditie, aan het schip van de wereld: de Eén van waarheid, van Leven. Dit is het subliem geheim dat voor altijd voorbehouden is aan de waarheid en de wijze. Het kan alleen worden aangereikt door het Leven, door de wijze, nooit door de dood van traditie, met welke schoonheid en schitter die zich ook mag tonen.

Wat de wijze ook doet en hoe zijn verschijning ook is, en welke zijn taal, altijd is dit de levende waarheid die hij zonder ophouden en zonder onderscheid schenkt aan de wereld. Deze waarheid kan alleen nu gegeven worden, nooit straks. Zij kan nimmer opgespaard en vanuit het ijs weer tot Leven worden gewekt. Daarom, wat de wijze ook aanbiedt, neem het aan, en proef zijn genade. Al biedt hij je maar een snoepje aan, wees gretig.


Langzaam keek de kapitein op van de waterspatten, naar de sleutel naast zich. Zij bleek zich afgewend te hebben van het bruisende geheim, en keek de kapitein recht aan. Er speelde een onaards schoon licht over haar gelaat. De kapitein kon er zijn blik niet van afwenden. Heel lang keken zij zo, zagen zij zo.

Toen toverde zich het schone licht op het gelaat van de sleutel tot een glimlach . . . en verder dan haar eigen gelaat, tot een glimlach op het gelaat van de kapitein.

Eén glimlach, zonder tegendeel.





B O N B O N


. . . okée, je hebt erg je best gedaan op dat verhaal van je, ‘Tederheid’ zoals je het noemt. Iemand had het gelezen en vertelde mij erover, wat grote lijnen.

Een interessant betoog, tja, wat zal ik er verder van zeggen. Weet je, hij vertelde mij dat je allerlei vreemde figuren hebt gebruikt, vogels die beloftes doen, moeders die zich in het vuur werpen, een treurende kapitein op een ijsschip, sleutels die een slot zoeken, toe maar.

Waarom al die onzin?


De schrijver voelde zich niet bepaald vereerd met de kritiek van de wijze*, maar hij was gewend aan de manier waarop hij gesprekken voerde.


Mijnheer, die figuren die u noemde zijn op zich niet zo belangrijk. Waar het om gaat is dat zij aspecten van het leven uitbeelden.


De wijze onderbrak de schrijver.


Zelfs dat waar jouw figuren voor staan is onzin, sentimentele flauwekul.

Je hebt een poging gedaan om wat ik zeg tegen mijn bezoekers weer te geven in een verhaal, in een boek. Maar je hebt gefaald. Je kunt niet zeggen wat ik zeg, niemand kan dat. Niemand!

Als je wilt vertellen waar ik over spreek, zul je moeten interpreteren wat ik zeg, maar dat is iets anders dan wat ik zeg. Alles wat iemand zegt is interpretatie, is dood, is traditie. Dit, en de wijze doelde op zichzelf, spreekt vanuit eigen autoriteit. Het heeft niets nodig als voorbeeld.


De wijze was niet geïrriteerd of arrogant. Dit was zo zijn manier om de zaken duidelijk te maken.


Enige tijd heerste er een vreemde lege stilte. Toen stond de wijze op en liep naar de keuken. Hij zocht iets in de koelkast. Even later ging hij naast de schrijver zitten. Hij opende onhandig een Leonidas-bonbondoosje en offreerde de schrijver de overheerlijke witte chocolade bonbons gevuld met verse room.


Neem een bonbon, het zal je goed doen. De wijze keek de schrijver met een ondeugende blik diep in de ogen . . .





* De wijze was U.G. Krishnamurti.


Bovenstaand verhaal is een neerslag van mijn spirituele zoektocht in de directe omgeving van Upaluri Gopala Krishnamurti. Meer informatie over hem en mijn ontmoetingen met hem zijn hier te vinden.


Robert C. Smit