STUDIO ROBERT C. SMIT
Wandelen tussen de bomen, en het bos weer zien
FILOSOFIE
TEDERHEID
Robert C. Smit
(1)
Ooit, in het duister van mijn nachtverblijf
droomde ik een diepblauwe hemel.
Hoog in die hemel klonk een verre vogel.
Haar lied zong van een ijl en verheven geheim.
. . . Maar hoe bestond het eigenlijk
dat ik haar gezang zo zuiver kon verstaan,
op deze grote afstand?
Ik keek omhoog,
naar de vogel in haar oneindige hemel.
Wonderlijk,
hoe het oneindige ineens heel nabij bleek,
meer nabij dan mijn eigen gedachten.
Wonderlijk was het
hoe ik het oneindige nu nabij was.
Vogel en ik waren dezelfde,
waren één,
en ook hemel was dit.
Drie dingen waren één wezen.
Zo is het,
zo was het,
en zo zal het altijd zijn,
ook toen het denken voortging
met verder vragen . . .
Hoe toch kan ik de vogel ervaren,
in mijn zien,
wanneer wij twee schepselen zijn?
Wordt de afstand tussen ons overbrugd
door de boodschapper van het licht?
. . . Maar dan moeten het licht en ik
één wezen zijn!
Je zegt dat het licht eenvoudig een beeld werpt
op mijn netvlies?
. . . Maar dan moeten mijn netvlies en ik
één wezen zijn!
Neen, ik voel dat het eenvoudiger is:
de wondervogel is er,
het licht is er,
het netvlies is er,
en ik ben er.
En zo is ‘er’ één wezen.
de dingen zijn ‘er’,
zijn één wezen,
ze zijn.
Ik zag nog eens op naar de hoge vogel,
zij zag omlaag naar mij,
daalde af naar mij,
en met zacht geruis verscheen zij voor mij.
Ze keek mij aan.
Er speelde een raadselachtige glimlach
over haar gezicht.
Toen stelde ze haar vraag:
vriend, wat is je oorsprong,
waar kom je vandaan?
. . . Op dit verheven moment
kon ik glimlachen zoals zij glimlachte,
waren woorden overbodig, hier,
midden in de sferen van het wonderwezen.
Ja . . . ,
waar kom ik vandaan,
waar zou mijn oorsprong zijn,
anders dan hier, waar ik altijd besta . . .
Zo keken wij elkaar aan,
zagen wij onszelf,
schenen zien en zijn gelijk.
De schone vogel sloot nu haar ogen.
Datzelfde moment voelde de innige eenheid
als verbroken.
Zien en zijn waren niet langer één,
en ook onze glimlachen
verschilden nu van wezen.
Zij glimlachte in het centrum van haar zijn,
ik glimlachte omdat ik wilde vertellen
vanwaar ik wist dat ik gekomen was.
Ik had lang gespeurd naar mijn oorsprong,
en nu kende ik die,
en ik wilde de schone vogel dat tonen.
Daarom glimlachte ik.
Het was bij mij een zaak van verheugd iets weten,
en minder een van stil wonderlijk wezen.
Wondervogel opende haar ogen,
veerde sereen iets omhoog
en met haar twinkelende ogen
wees zij mij stil te zijn,
niet te antwoorden.
Het was goed, . . . het was zwaar,
te beseffen hoe vreugde voelen
niet voldoende was
om vrede te zijn.
Ik keek haar aan, verlangend
naar meer woorden, meer glimlach.
Maar haar beeld verbleekte;
ik kon haar niet meer onderscheiden.
Alleen haar stem klonk nog.
Zij zong mij toe:
moedig zijn, vriend,
niet dwalen;
spoedig zien we elkaar weer,
zijn wij elkaar voor altijd.
De laatste woorden kwamen
van ver boven mij.
Daar was zij nog,
hoog in haar hemel,
zo hoog . . .
(2)
HERFST
Gisteren . . .
in de schemering van de late middag,
slenterde ik weer
door het herfstbos achter de duinen.
De geurige gevallen bladeren ritselden
langs mijn schoenen,
en het geheim van de nevel tussen de bomen
bedwelmde mijn zicht,
maar mijn gevoel
kon het mysterie vandaag niet proeven.
Mijn gevoel was al dagenlang bezet
met eenzaamheid
en vervuld van een onbevredigd verlangen.
Als ik op een open plek aankwam,
verwachtte ik haar niet werkelijk,
maar keek ik toch weer even omhoog,
ver in de diepte van het donkere hemelgewelf.
Vroeger was zij hier neergedaald,
had zij mij glimlachend toegefluisterd,
en was ik verliefd geworden op haar wezen.
Met die liefde heb ik jaren heerlijk geleefd,
jaren gestudeerd,
ben ik gerijpt misschien,
en heb ik jaren het geluk gevoeld
dat zij mij nabij is.
. . . Maar langzaamaan voelde ik
haar niet meer,
was het leeg van binnen,
moest ik de schone dingen zelf gaan verzinnen.
Met smart besefte ik het,
m’n geliefde had mij verlaten . . .
. . . Of nee!
Zo doe ik haar onrecht.
Zij, mijn geliefde, kon niet langer bij mij zijn,
ik was te zwaar voor haar geworden, te star.
Zij was door mij verlaten.
tegelijk was ik het, die haar miste.
Ik wist dat zij mij niet miste,
dat zij nu heel hoog glimlachte,
in de schittering van haar wonderwezen.
Zij bestond zonder tegendeel,
zij had geen tweede nodig . . .
Het werd dof en somber in mijn hoofd,
en de zoete herinneringen van weleer
proefden niet langer zoet maar deden pijn.
Ik had haar ondeugend vaak
voor de geest gehaald,
haar woorden vol vreugde laten klinken,
en haar sereen gelaat
in stille vervoering met mijn ogen gestreeld.
Het laatste jaar
had ze weinig nieuws tot mij gezegd,
moest ik haar mijn woorden
in de mond leggen.
Zij had met haar twinkelende ogen
mij stil gewezen
om niet te spreken.
Ik weet nog duidelijk
hoe betoverend licht zij had gekeken.
Maar de woorden die ik erbij hoor
zijn niet háár heldere woorden,
het zijn mijn eigen woorden geworden;
woorden die niets meer zeggen,
woorden die beter zouden zwijgen.
. . . Telkens zei ik hetzelfde
in steeds weer andere woorden:
dat het zo schitterend was
wat zij mij gebracht had,
en dat ik het zo goed begrijpen wilde,
en dat haar inzicht
mij met vreugde zou blijven vervullen.
Maar hier stond ik,
in de kou,
verveeld een hoop bladeren te schoppen,
te stampen
door het eens zo groene lover.
Nog eenmaal keek ik op
en tuurde in de hoogte,
op zoek naar haar.
Er krijsten wat meeuwen
in de verte . . .
Het was genoeg;
ik draaide mij om
en liep teleurgesteld huiswaarts.
De kachel brandde hoog,
en dichtbij het fel knapperend vuur geschoven
zat ik in mijn gerieflijke leunstoel
moe onderuitgezakt.
De avondlucht van de duinwandeling
tintelde rozig op mijn wangen,
en een zwaar glas wijn
maakte me loom en doezelig.
In zachtkleurende nevelbeelden
begon ik in te zien,
- voor het eerst in al die jaren -
hoe mijn zegen het was
dat ik al die hunkerende jaren
niet bij machte bleek geweest
om de geliefde aan te roepen,
om haar terug te wensen,
om een dode herinnering
opnieuw leven te hoeven inblazen.
Door halfgesloten ogen
flakkerden de vlammen van de haard,
en mocht ik, in hun vuur,
zien,
hoe na zoveel smart mijn leven opnieuw
van warmte en werkelijkheid
vervuld raakte . . .
Toen het uiterlijk schouwen was ingekeerd
tot het geestelijk vuur
gebeurde dat wonder:
mijn arme ‘ziel’, haar trieste verschijning,
zag zich opeens niet langer
als oergrond van mijn wezen,
maar wist zich mijn starheid
en de bron van mijn beperkingen . . .
Haar zieleschijnsel fonkelde
diep in mijn innerlijk wezen, naakt nu,
en in een ander licht dan ooit tevoren.
Haar uiting kreeg een kleur
toen ze schrok dat het moment daar was
waarop zij afscheid nemen moest.
Haar schone schijn van alle tijden
was onverwacht gevat
door het hongerig vuur van waarheid.
Toen toonde de ziel,
m’n ‘ikje’,
haar ware goedheid.
Ze ging het vuur nabij
en woei het op haar schoot.
Nee, ze wierp zich niet langer op
uit ijdelheid of geloof
in het goede van haar bestaan.
Ze wilde schroeien,
ze gaf het op.
. . . Loom sluimerend zat daar de man,
in zijn gerieflijke leunstoel voor de haard,
en even leek het of hij goedkeurend knikte
naar zijn ziel, toen die oplichtte,
daar in het verterend vuur.
Haar afscheid
was een glimlach op zijn gezicht,
een traan in zijn oog.
(3)
Stil daalde,
over de rand van de laatste nacht,
de geliefde naderbij.
Zij boog zich over de man
en fluisterde hem in het oor:
vriend,
eenzaamheid nam afscheid.
Voorbij je dromen
van de laatste slaap
zul je in de spiegel van de wereld
mij in jezelf zien . . .
(4)
HEMEL
de mens,
hij rustte
in een smetteloze vrede
.
Tederheid